ln.nemmeefaceifosolifobfsctd@ofni
|| Loods 13, Minister Kanstraat 16, 7811GP Emmen

Jonathan Janssen kan zich niet meer verplaatsen in de tv-programma’s die hij als kind keek. Een shortread over de onvertaalbaarheid van context.

Door Jonathan Janssen op 10 januari 2024

‘Dali Atomicus’, foto door Philippe Halsman uit 1948

Toen ik onlangs beelden terugzag van Samson en Gert, besefte ik pas wat voor bizar verhaal de kinderserie (1990-2017) vertelt. Nog afgezien van het feit dat een alleenstaande volwassen man samenwoont met een pratende nephond, staat de serie bol van onwaarschijnlijke voorvallen en weinig logische wendingen.

Ik kan me niet herinneren als kind ooit verbaasd te zijn geweest over de lotgevallen van Samson en zijn hond. Dat de merkwaardigheden me nu pas opvallen zal niemand verbazen, want we weten dat er een verschil bestaat tussen kinderverhalen en verhalen voor volwassenen. Maar is de vraag hoe het kan dat we het onvanzelfsprekende als vanzelfsprekend beschouwen even gemakkelijk te beantwoorden?

Ludwig Wittgenstein wijst er in zijn Filosofische Onderzoekingen op dat de betekenis van onze woorden in het gebruik van de woorden ligt. Als je in huis op zoek bent naar je spaarpot en een huisgenoot zegt dat je geld op bank staat, dan check je waarschijnlijk even de woonkamer, en niet meteen je bankrekening. En als er op een deur ‘duwen’ staat, dan weten we dat we niet in het wilde weg moeten gaan duwen, maar tegen de deur. Net zo betekent een roos voor geliefden iets anders dan voor een groep biologen op veldonderzoek. Elke context kent volgens Wittgenstein een eigen ‘taalspel’ – een set van (grotendeels onuitgesproken) regels die de betekenis van bepaalde woorden en zinnen bepaalt.

Zou het kunnen dat ik me als kind voor de beeldbuis in een ander taalspel bevond dan nu als volwassen journalist? Dat ik toentertijd een volwaardig speler was van het taalspel genaamd ‘Samson en Gert’, en ik nu als buitenstaander de innerlijke logica van het spel niet meer begrijp? En kun je als je je in het ene taalspel bevindt, het andere nog wel vatten?

Toen ik een jaar of tien was namen mijn ouders me op vakantie in Spanje mee naar het museum van Salvador Dalí, en ik weet nog hoe onbegrijpelijk ik het vond om klokken te zien afgebeeld als smeltende kazen. Maar tegenwoordig kijk ik graag naar het surrealistische werk als de verbeelding van het verval van de tijd. Als kind kon ik ook niet bevatten waarom je uit vrije wil dagen achtereen, week aan week in een kantoor achter een beeldscherm zou gaan zitten. En ik ben vast ook niet de enige die niet begrijpt wat ze in de jaren zeventig mooi vonden aan hun architectuur.

Bevind ik me nu ook in een taalspel dat ik niet ken? Zo ja, in wat voor taalspel dan? Zal mijn leven nu, als ik ooit op dit moment terugkijk, even bizar kunnen aandoen als een kindertelevisieserie? En als dat zo zou kunnen zijn, zou ik dan nu ook dit taalspel al op het spoor kunnen komen?

Dit artikel komt origineel van Filosofie Magazine.